Merkenrecht en vrijheid van meningsuiting

Ook merkhouders kunnen inbreuk maken op de vrijheid van meningsuiting

Mag. iur. dr. W. Sakulin

Merkhouders kunnen inbreuk maken op de vrijheid van meningsuiting. Dit ligt niet voor de hand, immers merkrechten regelen vooral het gebruik van merken tussen bedrijven onderling. Het merkenrecht is echter aan grote veranderingen onderhevig. Merkrechten zijn uitgebreid in hun omvang en merken zelf spelen een steeds belangrijkere rol. Zij zijn niet alleen symbolen met een grote waarde voor merkhouders, maar zij spelen ook een belangrijke rol in campagnes van actiegroepen zoals Greenpeace, in werken van kunstenaars en in de maatschappij als bijvoorbeeld statussymbolen. Er kunnen zich situaties voordoen waarin een merkhouder met een claim vanwege vermeend merkinbreuk geconfronteerd wordt met een terecht beroep van een kunstenaar of een actiegroep op de vrijheid van meningsuiting. In deze situatie biedt het huidige merkenrecht weinig mogelijkheden voor een zuivere belangenafweging. Uitingen van derden worden vaak snel verboden. Dit kan niet alleen de vrijheid van meningsuiting van de betrokken kunstenaar of actiegroep schenden, maar creëert ook een afschrikwekkend effect op potentiële deelnemers aan het maatschappelijk debat – iets wat volgens de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (het EHRM) indruist tegen de vrijheid van meningsuiting.

Kunst, kritiek en statussymbolen

Luxe merken zoals Louis Vuitton worden gebruikt om de sociale status van consumenten te verhogen; merken van oliebedrijven representeren de politieke macht of juist de impact van deze bedrijven op het milieu. Deze bekende merken zijn dus niet alleen de eigendommen van de merkhouders, maar ook belangrijke symbolen in het maatschappelijk debat. Dit kan leiden tot conflicten. Naast bekende merken kunnen zelfs alledaagse merken een rol spelen in de kunst of in het maatschappelijk debat. Iedereen kent bijvoorbeeld het Campbell’s Soup Cans schilderij van Andy Warhol. Zij is het symbool van de pop-art. 

Laten wij kijken naar twee  voorbeelden die te maken hebben met de macht van oliemaatschappijen en met het luxe-merk Louis Vuitton.

Op 6 januari 2003 plaatste de Britse krant the Daily Mirror de hier naast afgebeelde parodie op de voorpagina. De hoofdredacteur van de krant was toen zeer kritisch over de geplande inval in Irak en wilde dit duidelijk maken. Het ging volgens hem absoluut niet om het vinden van massavernietigingswapens of om de bescherming van de bevolking van Irak maar alleen om het veiligstellen van de commerciële belangen van oliemaatschappijen. Oliemaatschappijen als oorlogshitsers dus en George W. Bush als leugenaar. Een keiharde boodschap. De boodschap viel echter minder zwaar omdat zij grappig is en omdat een veelvoud aan merken werd gebruikt. Mede daarom werd hier geen rechtszaak aangespannen door de merkhouders.

De Deense kunstenares Nadia Plesner, studente aan de Rietveld Academie in Amsterdam, raakte echter wel diep verzeild in een rechtsstrijd met Louis Vuitton. In 2008 maakte zij de tekening ‘simple living’. Het gaat om een gekleurd jongetje met een hondje en een tas die lijkt op de bekende tas van Louis Vuitton. De tekening is een parodie op een foto van Paris Hilton en is bedoeld als kritisch commentaar op de grote aandacht die wordt geschonken aan B-sterretjes als Hilton en het gebrek aan aandacht voor het conflict in Darfur. Mevrouw Plesner liet de tekening drukken op T-shirts en verkocht deze, waarbij een deel van de opbrengst zou gaan naar een actie voor Darfur.

Louis Vuitton gebruikte haar merk- en modelrechten om de kunstenares onder druk te zetten. Een rechtbank in Parijs verbood het gebruik van de tekening; dit zelfs zonder mevrouw Plesner te horen in de procedure. Ondanks de evidente inbreuk op haar vrijheid van meningsuiting legde mevrouw Plesner zich bij het verbod neer totdat de rechtsstrijd kort geleden weer oplaaide. In het kader van een tentoonstelling in Kopenhagen verkocht de kunstenars T-shirts en posters met de afbeelding 'simple living'. Ook gebruikte zij de afbeelding om voor haar (verkoop)tentoonstelling te werven. Op 27 januari 2011 besloot de rechtbank Den Haag het gebrik van de tekening te verbieden en legde zij een hoge dwangsom op. Mevrouw Plesner spande een kort geding aan en op 4 mei 2011 oordeelde de Rechtbank Den Haag dat het verbod de vrijheid van meningsuiting van de kunsteares te zeer beperkte. Het verbod werd dus ophgeheven. Belangrijk aan de uitspraak van 4 mei is verder dat de Rechtbank de dwangsom, die inmiddels was opgelopen tot ongeveer € 400.000,--  met terugwerkende kracht vernietigde.

Hoe moeten deze conflicten worden opgelost?

Bij conflicten tussen merkrechten en de vrijheid van meningsuiting zijn meestal gerechtvaardigde belangen in het geding aan beide kanten. Het is daarom belangrijk dat rechters een zorgvuldige belangenafweging maken, waarbij een pallet aan factoren moet worden meegewogen. Het gaat hier te ver om alle factoren te bespreken die een rol kunnen spelen, maar laten wij kijken naar een drietal belangrijke factoren.

1.       Wordt er geld verdiend met het gebruik van een merk? Een commercieel oogmerk moet zeker worden meegewogen, maar dit mag niet altijd doorskaggevend zijn voor een verbod op grond van het merkenrecht. Vele belangrijke onderdelen van het maatschappelijk debat zoals kunstuitingen, nieuws of cabaret zijn deels commercieel; dit doet niet eraan af dat zij hoge bescherming genieten onder de vrijheid van meningsuiting.

2.       Lijdt de merkhouder of het merk schade? Dit is een zeer relevant aspect. Maar schade an sich is niet voldoende voor een verbod. Het gaat erom hoe zich de omvang van de schade verhoudt tot andere factoren zoals het maatschappelijk belang of een commercieel oogmerk. Een mooi voorbeeld is dit filmpje van Greenpeace dat zich richt tegen het merk KitKat en de producent Nestlé vanwege hun bijdrage in de verwoesting van de habitat van de Orang-Oetan. Het filmpje is wreed en onsmakelijk. Meteen na het zien ervan zal men zeker geen zin hebben in een lekkere reep KitKat. Aan de andere kant gaat het hier niet om het zwart maken van een bedrijf puur uit wraak, maar streeft Greenpeace een verdedigbaar ideëel doel na. Ook bestaat geen commercieel oogmerk en is het filmpje duidelijk herkenbaar als actie van Greenpeace. De vrijheid van meningsuiting van Greenpeace zal daarom zwaar moeten wegen.

3.       Wat is de bijdrage aan het maatschappelijk debat? Het maatschappelijk debat is geen natuurkundig fenomeen. Oorzaak en effect zijn vaak ver van elkaar verwijderd. Een wellicht onbenullig idee uit de antieke periode kan mensen nog duizenden jaren later aan het denken zetten. Daarom beschermt de vrijheid van meningsuiting uitingen ook als deze overdreven of vaag zijn en als zij geen concrete of beschaafde bijdrage leveren aan het maatschappelijk debat. Volgens het EHRM mogen uitingen die enige bijdrage leveren aan het maatschappelijk debat zelfs aanstoot geven, choqueren of storend zijn. Dit geldt voor meningen in sterkere mate dan voor feitelijke beweringen.

Als het om kunstuitingen gaat, moet men bijzonder voorzichtig zijn. Kunst is ongrijpbaar, verdraait de werkelijkheid en stelt alleen in sommige gevallen maatschappelijke misstanden aan de kaak. Kunst moet vrij zijn en moet niet worden getoetst op haar nut of bijdrage aan de maatschappij. Dit is iets wat, om bekende redenen, sterk is verankerd in de naoorlogse Duitse grondwet maar ook het EHRM volgt dit standpunt.

Aanpassing van het merkenrecht

Het huidige merkenrecht maakt een zorgvuldige belangenafweging niet altijd mogelijk. De bescherming van de merkhouder staat op de voorgrond en de overwegingen zoals hierboven beschreven worden vaak achterwege gelaten. Hierdoor kunnen inbreuken ontstaan op de vrijheid van meningsuiting van de betrokken partijen, maar ontstaat ook een onnodig sterk afschrikwekkend effect. Oorzaak van dit probleem is dat het merkenrecht niet voorziet in een duidelijke uitzondering voor deze gevallen. Het zal daarom moeten worden aangepast. De beste manier om dit te doen is om een nieuwe beperking op te nemen. Goede voorbeelden hiervoor zijn te vinden in het merkenrecht in de Verenigde Staten van Amerika en in het auteursrecht van diverse Europese landen.


Wilt u meer weten, lees dan het artikel ‘Merkenrecht en de vrijheid van meningsuiting’ in het tijdschrift Mediaforum nr. 1, 2011 of het boek W.  Sakulin, ‘Trademark Protection and Freedom of Expression’ , Kluwer Law International 2010.